Schakel Tihange symbolisch UIT.
31 maart t/m 30 september '17

Schakel Tihange symbolisch UIT. Burgemeester Krewinkel ging U voor!
• meer info



Geen toekomstige activiteiten gevonden.

>> agenda





 Coming home for Christmas IV
19.12.09 - 07.02.10

De laatste tentoonstelling van het jaar is voor kunstenaars die ooit in Heerlen woonden en werkten. Zij komen thuis met kerstmis en laten
zien waar zij nu mee bezig zijn. De tentoonstelling werd geopend door burgemeester Gresel en Ryanne Drissen, kinderwethouder van Heerlen op zaterdagmiddag 19 december om 17.00 uur.

Deelnemers aan deze vierde editie zijn:

Maurice Bogaert
Melanie Bonajo
Mathilde Cuijpers
Patricia Fijneman
Anouk Gielen
Pieter Lemmens
Rob van de Werdt
Joost van der Velden
Mattie van der Worm & Arletta Kaper
Celine van den Boorn


Coming Home Writersnight
Op zondag 20 december om 16.00 uur kwamen schrijvers thuis. Ook zij wonen en werken nu elders en zullen hier voorlezen uit eigen werk, gepresenteerd door Leon Biessen.

Peter Winkels (Heerlen, 1954): literator, journalist, publicist en dichter (o.a. Reis naar Welten uit 2004) Helaas bereikte Peter Winkels op zondagmiddag Heerlen niet door een sneeuwstorm.
Michael Berg - pseudoniem van Michel van Bergen Henegouwen – (Heerlen 1956): o.a. journalist, tekstschrijver, componist, columnist en auteur van de de thrillers Twee zomers (2008) en Blind vertrouwen (2009).
Gé Vaartjes
(Heerlen, 1954): literator, publicist en biograaf van Herman de Man, Top Naeff en Godfried Bomans. Hieronder de tekst van Vaartjes die hij speciaal voor deze middag schreef.

Marcel van der Heyden bracht op deze Writers Afternoon Cubaanse bolero's ten gehore. De akoestiek bij kuS is hiervoor uitstekend.

Bijdrage van Gé Vaartjes over thuiskomen.

Heerlen, afbraak en opbouw

Begin oktober ontving ik een mailtje van Leon Biessen waarin hij mij uitnodigde voor een bijeenkomst ‘Coming home for Christmas Writers Afternoon’. Ik moet bekennen dat ik even met mijn ogen moest knipperen toen ik deze in fraai Engels - of zou het Amerikaans zijn? - gestelde naam voor onze bijeenkomst hier las. Was Heerlen zó meegegaan in de vaart der volkeren dat de Nederlandse taal niet meer toereikend leek om een lokkende titel te bedenken? Bewegen de uit Heerlen afkomstige schrijvers zich allemaal op een dusdanig internationaal niveau dat je niet meer kunt aankomen met een al te triviale kreet als ‘Thuiskomst voor Kerstmis. Schrijversmiddag’? Of had ik gewoon te maken met een uiting van onze soms wat vermoeiend-hippe tijdgeest, waarin winkeliers denken dat een poster met het exotische ‘Sale’ meer klanten lokt dan het simpele ‘Uitverkoop’?
Mijn lichte verbazing verdween echter al snel toen ik de rest van de invitatie las, waarin mij gevraagd werd een kleine bijdrage te leveren over bij voorkeur het thema ‘terugkeer en thuiskomst’. Is dat niet een bij uitstek rijk literair thema? Ze roepen iets gemoedelijks op, deze woorden, terugkeer en thuiskomst, je associeert ze met een sfeer van warmte. Thuiskomen, dat impliceert herkenning, onderdak in vele opzichten, beschutting, vertrouwelijkheid, rust na een lange reis. Maar er is ook een andere kant. Aan thuiskomen kleeft eveneens herinnering, terug naar af, confrontatie, verandering, weemoed, besef van verlies.

De te weinig gekende en gelezen dichter Jan van Nijlen verwoordde het in zijn gedicht ‘De terugkerende’ als volgt:

Als een die, weergekeerd van lange reis
of ballingschap, de lieve streken nadert
van ’t land, waar hij, in avondlijke peis,
de dromen weervindt door zijn jeugd vergaderd,

en blij verneemt, in ’t schemerend gebladert,
van vogelzangen de bekende wijs,
maar al de liefde die zijn hart dooradert
bij het herdenken stollen voelt tot ijs:

zo ken ik nu die scherpe, bitter-droeve
herinnering van den verdoolden man
die in één klank zijn jeugd hervinden kan,

als, huiswaarts gaand, hij luisterend blijft toeven,
en in den avond, op nabije hoeve,
’t geruis verneemt van ’t koren in de wan.

Hij zegt het treffend, Van Nijlen, de romanticus die een leven lang terugverlangde naar zijn jeugd en het decor waartegen zijn kinderjaren zich hadden afgespeeld. Tegelijk besefte hij dat iedere terugkeer, elke thuiskomst, vooral ook een confrontatie is - met wat hij verlangde, met wat hij geworden is en met wat hij verloor - en met wat hij misschien nooit echt bezeten had..

Thuiskomen in Heerlen is weliswaar terugkeren naar  wortels - of moet ik zeggen: roots? - maar het is nooit een thuiskomst in de stad van weleer of een stad die altijd hetzelfde is. De wortels liggen er nog, onomstotelijk, maar ze dragen veelal geen bomen meer en zijn ondergronds vaak nog maar moeilijk te traceren. Dit heeft niets te maken met, zoals Van Nijlen het noemt, de bitter-droeve herinnering van een verdoolde man. En evenmin met een in het leven teleurgestelde, die het decor van zijn jeugd wanhopig verheft tot een idylle. Het heeft alles te maken met Heerlen zelf, een stad die uitnodigt, nee dwingt tot een bij uitstek romantische levenshouding, tot een sterk besef van het voorbijgaan van de dingen.

Wie er, zoals ik, opgroeide in de jaren vijftig en zestig, en er de zintuigen voor bezat, kon niet anders dan vervuld worden van een gevoel van betrekkelijkheid. Heerlen was een stad waarin vertrouwdheid en vervreemding hand in hand gingen. De jaren zestig waren, nationaal en internationaal gezien, een tijd van intense beweging, verandering, heroriëntering. Ik zie Heerlen als een symbool voor die tijd, waarin, letterlijk en figuurlijk, veel op de schop ging en veilige beschutting plaatsmaakte voor dolende dakloosheid.

Al heel jong, zo vanaf een jaar of tien, knipte ik alles uit het Limburgs Dagblad dat mij in welke vorm dan ook boeide, op verschillende terreinen. Veel daarvan heb ik later weggegooid, maar ik heb nog enkele mappen bewaard waarop ik met een drang tot archivering ‘regio’ noteerde. In die regiomappen heb ik, toen ik aan deze middag dacht, na lange tijd weer eens gekeken. Het bleek een merkwaardige bonte verzameling berichten te zijn, die voornamelijk Heerlen als onderwerp hebben. Aan een psycholoog verschaffen ze wellicht verrassend inzicht in wat mij in die leeftijdsfase kennelijk bezighield. Zelf stond ik bij het doorbladeren van al dat vergeelde papier toch ook wel te kijken van de grote hoeveelheid ietwat sensationele, ja zelfs morbide onderwerpen die ik aantrof. Veel knipsels over ernstige ongelukken met veelal dodelijke afloop, verslagen over uitslaande branden en een brandstichting in de al lang vergeten bloemenzaak ‘Mille fleurs’ aan de Bongerd, een serie artikelen over een gestoorde vrouw die in haar woning aan de Geerstraat, pal tegenover wat toen nog de Stadsschouwburg heette, een vuilnisbelt creëerde en de voorruit van haar huis met wanhopige pamfletten beplakte. Een verloren wereld kwam terug - ieder knipsel riep een herinnering en daarmee een eigen verhaal op. De kracht van zwak papier is intens. Het was een vorm van thuiskomen. Wat mij vooral trof, was het grote aantal knipsels over Heerlen als veranderende stad. Die stukken gaan vrijwel allemaal over afbraak en nieuwbouw. Alles in het kader van ‘achterhaald’, ‘voorbij’, ‘toekomst’ en ‘vooruitgang’. Hoe betrekkelijk dat alles is, werd mij duidelijk toen ik knipsels doorlas en de daarbij behorende foto’s bekeek van de Bongerd en het kerkplein bij de Pancratiuskerk. Rond 1967 was het eeuwenoude bebouwingspatroon rond de kerk, deels neergezet op middeleeuwse gewelven, nog grotendeels intact. Maar dat was een achterhaalde situatie, vond men. Een periode waarin alles opengebroken moest worden, was begonnen, letterlijk en figuurlijk. Transparantie was de kreet waarin men geloofde, of waarin geloofd moest worden, en de hele bebouwing aan de Bongerd en op het Kerkplein moest er daarom aan geloven. Er diende zicht op de Pancratiuskerk komen, er moest ruimte geschapen worden voor openheid, een  heldere blik. En daar ging het historische straatbeeld. Met enig historisch besef of wat daar dan ook voor moest doorgaan werd vervolgens de oude huizenlijn symbolisch gemarkeerd door een soort betonnen muur, die tussen Kerkplein en Bongerd werd opgetrokken. Inmiddels zijn we veertig jaar verder. De betonnen muur is gesloopt, het Kerkplein wordt aan de Bongerdkant weer omsloten door een gevelrij, om het plein zijn oude intieme karakter enigszins terug te geven.
Heerlen was in de jaren zestig en nog lang daarna een stad van afbraak en opbouw, waarin als door een vergissingsbombardement gaten geslagen waren die in allerijl moesten worden gevuld. De stad werd zo een onbewuste metafoor voor een wereld die groter was dan Heerlen, een wereld waarin alles wat vaststond, of vast leek te staan, wankelde. Menig volwassene duizelde het in die periode en hij diende zich te heroriënteren, wat soms stroef liep. ‘In de kou’, noemde Godfried Bomans deze tijd waarin de kerk haar deuren opengooide voor extra lucht, die echter niet door iedereen als louter verfissend werd ervaren. Het is nu eenmaal niet eenvoudig je te ontdoen van iets dat een leven lang vertrouwd geweest is.
Een leven lang? Voor een kind van pakweg 14 zijn die veertien jaren een leven lang. Ik heb eind jaren zestig, begin jaren zeventig, door een Heerlen gelopen dat een natuurlijk thuis was, maar waarvan tegelijkertijd de dakpannen rammelden en de binten kraakten. Veel van wat als eeuwige waarden was bijgebracht, wat als een vanzelfsprekende cultuur gepresenteerd was, werd plotseling ingrijpend gecorrigeerd, tot verboden terrein verklaard, voorgoed vernietigd. De veranderende aanblik van Heerlen, waar de stofwolken van sloop niet optrokken, een hevig bewegend decor, illustreerde de emotionele en mentale veranderingen van de mensen die in dat decor leefden.

Toen ik zeven jaar oud was, deed ik, zoals vrijwel alle kinderen van die leeftijd, mijn eerste heilige communie. Het rooms-katholicisme was mij niet gepresenteerd als een willekeurig cultuurverschijnsel, maar als een onaantastbare waarheid die via vraag en antwoord in de catechismus was vastgelegd en geen nuance, laat staan enigerlei discussie, duldde. Waarvoor wij leefden werd niet door onszelf bedacht of ontdekt, wij leefden om God te dienen en daardoor hier en later gelukkig te zijn. Ik leerde, bij die communie in een Heerlense parochiekerk, dat de hostie het lichaam van Christus was, waar dan ook met het grootste respect mee omgegaan diende te worden. Het witte ronde platte schijfje aanraken was van een ingrijpende zondigheid, ja zelfs tanden en kiezen mochten geen taak vervullen bij het innemen van het lichaam van Christus. Ik herinner mij nog de wanhoop die mij beving in mijn beugelperiode, toen een hostie verstrikt raakte tussen mijn verhemelte en het attribuut dat mijn gebit trachtte te corrigeren. De meest plausibele oplossing: letterlijk en figuurlijk een handje helpen, kwam niet eens in mij op. Mijn tong moest de meest acrobatische en ongewijfeld weinig esthetische bewegingen maken om het lichaam van Christus uit zijn benarde positie te bevrijden.
Nog geen vier jaar later schokte mijn wereldorde. Ik kreeg te horen dat voortaan de communie op de hand mocht worden ontvangen en weet nog dat mijn eerste reactie er een was van verbijstering: maar dan zouden we toch allemaal zondaars worden? Hoe beneveld én conservatief kan de geest van een kind zijn, louter door een schijnbaar vanzelfsprekende nestgeur! Dat vanzelfsprekende, in korte tijd vertrouwde, verdween ook verder in een rap tempo. Net had ik, als misdienaartje, de hele onbegrijpelijke Latijnse mistekst uit mijn hoofd geleerd, toen het credo en confiteor bij grofvuil werden gezet en we God gingen loven in de Nederlandse taal. Ik vond het, na al die uren Latijn stampen, niet alleen zonde van een investering die tot niets leidde, maar begreep er ook niets van. Het kenterende katholicisme werkte uiteindelijk bevrijdend, hoe kon het anders, maar was aanvankelijk alleen maar verwarrend.

Ik genoot, zoals dat toen heette, gescheiden onderwijs. Na de kleuterschoolperiode waarin jongetjes en meisjes samen kleiden, in de zandbak speelden en gemeenschappelijk naar de poppenkast keken, volgde een lagereschooltijd waarin het verschil tussen jongens en meisjes kennelijk zo groot was, dat deze niet meer onder één dak konden en mochten verblijven. Deze scheiding werd volgehouden tot aan het afscheid van de lagere school. Nog heel goed herinner ik mij dat die mijlpaal gevierd werd met gezamenlijke activiteiten waarbij de jongens- en meisjesschool drie dagen lang betrokken waren. Die dagen werden afgesloten met een brood- en vlaaienmaaltijd in het door mijnschade geteisterde parochiehuis. Na drie dagen samen optrekken, namen wij natuurlijk naast elkaar plaats aan tafel, jongens en meisjes door elkaar. Nog zie ik het hoofd van mijn lagere school, die zichzelf tot notabel gebombardeerd had, verwoed en geschokt langs de tafels lopen om tamelijk ruw de bokken van de schapen te scheiden. Wij, die de geschiedenis zijn ingegaan als de protestgeneratie, waren weliswaar verbaasd, maar gaven geen kik. Niet lang daarna fuseerde menige jongensschool en meisjesschool. Ik keek er met enige jaloezie naar, maar ook met onbegrip. Wat was nu waarheid?

Heerlen was een vanzelfsprekende mijnstad, midden in de mijnstreek. Vanuit mijn ouderlijk huis keek ik vanaf de bovenste etage zó over nog onbebouwde landen naar de steenkolenberg van Staatsmijn Wilhelmina, waar ’s avonds rijdende verlichte lorries voor een sprookjesachtige sfeer zorgden. Heel de omgeving ademde mijnbouw, mijnstof - en mijnschade. Een vriendje liet mij af en toe een schoenendoos zien met daarin een bergje stenen, die zijn vader, houwer op de Wilhelmina, vrij gehakt had: platte stenen waarop varenbladen zich hadden afgetekend, miljoenen jaren geleden. In veel minder tijd verdween het mijndecor en daarmee een complete cultuur. Steenkolenbergen werden afgegraven, mijnwerkers omgeschoold of depressief en de Lange Jan en Lange Lies vielen, toen ze werden opgeblazen, de verkeerde kant op, alsof ze zich recalcitrant wilden wreken op een nieuwe tijdgeest.

Opgroeien in de jaren zestig had iets van een practical joke: je had net geleerd in welke richting je je diende te bewegen en vervolgens werd je het kompas uit de handen geslagen.
Ik kon het destijds niet zo benoemen, maar terugkijkend besef ik dat ik nog voor ik de leeftijd van de volwassenheid genaderd was, al doordrongen was van verandering, betrekkelijkheid en weemoed, van de wetenschap dat niets is wat het lijkt, dat niets blijvend is, dat alles beweegt - en dat uiteindelijk alles eindigt in herinnering aan verdwenen mensen en decors. Heerlen is voor mij daarvan het symbool geworden. Terugkeer naar Heerlen is daarmee voor mij niet identiek aan thuiskomst, maar eerder de bevestiging van vergankelijkheid, die mij een levensgezel geworden is.

Ik heb mij afgevraagd waar mijn belangstelling voor het verzamelen van knipsels over afbraak in Heerlen vandaan kwam. Was het een onbewuste behoefte aan willen vasthouden van wat in een hoog tempo verdween? Is toen al mijn passie voor het vastleggen van de dingen die voorbijgaan gewekt? Een krampachtig gevecht tegen dé levensessentie: dat niets blijft en alles uiteindelijk vergaat. De behoefte om te speuren naar voorbije levens en verdampte decors, het schrijven van biografieën? Ik waag me met dit soort gepsychologiseer op heel glad ijs. Maar toch, stel dat. Dan heeft het zo sterk veranderende Heerlen uit mijn jeugd mij niet alleen geschokt in mijn fundamenten, maar vooral ook de basis gelegd voor wat ik later als een grote levensbehoefte zou gaan zien: op zoek gaan naar wat voorbijgegaan is en daarover schrijven. Thuiskomen in een voorbije tijd. Misschien is het wel allemaal hier begonnen.

Ik wil eindigen met opnieuw een gedicht van de onvolprezen Jan van Nijlen, die wist wat thuiskomen was:

De oude zoon slaapt weer thuis

Ik slaap of ongeveer. De deur gaat open
en ik kijk angstig uit of ik iets zie,
‘k verneem alleen een haast onhoorbaar lopen
alsof, verborgen door de duisternis,
iemand die leeft aanwezig is:
een mens, een geest, een dier, maar wie?

Ik slaap. De deur is weerom dicht,
ik zie door ’t raam der zolderkamer
de wolken drijven vóór die ene ster
die altijd daar stond en zal staan.
Mijn kleren hangen rustig op een stoel
en in het onnatuurlijk licht
is alles zeer natuurlijk. Ik gevoel
onrust noch kommer meer. Een verre trein
gilt scherp alsof het vroor.
Er is toch niets gebeurd en ik slaap door.

Ik slaap. En plots gevoel ik, weet ik
dat iets den tijd jaren heeft stilgezet.
Ik lig als knaap weer in mijn ijzeren bed,
het oud behang is weer het grijs papier
dat door de vochtigheid begeeft
en op de nachtkast ligt mijn eerste pijp...
‘k Weet dat het stukje zeep
den geur heeft van het pas-gemaaide gras,
en langzaam wordt hier in hetzelfde licht
een eerste droom der kinderjaren rijp.

Ik slaap. Mijn geest is helder
ofschoon ik droom. En het kind dat ik was
slaapt rustig in mezelf
alsof het nog een schone toekomst wacht...
En zo is ’t elken nacht.




> terug naar boven


Foto's opening


Foto's expositie


Foto's werk